Het was alwéér een mooie lentedag, vrijdag 22 april; het leek zowaar of dit jaar april eens niet deed 'wat ie wil', maar gewoon het weer gaf dat wíj graag willen: warm en zonnig. En op deze -in meerdere opzichten- goede vrijdag begaf ik mij, uiteraard per spoor, naar Scheveningen. Dat wil zeggen: per trein reed ik tot aan Den Haag, waar ik zou worden opgepikt om in stijl verder te reizen. En dat kwam mooi uit, want in de trein zitten met dit weer is geen pretje, zo bleek al snel. Ik had namelijk precies díe coupé gekozen, die bij de eerste stop (Utrecht Centraal) volstroomde met krijsende kinderen, die zo te zien (en zo te ruiken) op schoolreis waren. De meester droeg een bagwan-rood shirt, van het merk "100% polyester". Hij ging net iets te dicht bij mij in de buurt zitten en vertelde zonder ook maar één woord te spreken een heel verhaal in geuren, namelijk dat hij beslist nog nóóit van deodorant had gehoord, het concept wasmachine hem volstrekt vreemd was en hij überhaupt géén idee had wat een douche is. Wat een sneu typ. Maar vooral sneu voor mij. Net toen ik bijna kokhalzend de coupé wilde verlaten, stond hij op en ging een eindje verderop twee kinderen, die elkaar bijna de hersens insloegen, een 'lesje' leren. "Goed zo, laat maar zien wat je aan pedagogische vaardigheden in huis hebt, roodjakje!", hoorde ik mezelf denken. De kinderen waren accuut stil, wat volgens mij meer te maken had met het feit dat ze accuut bedwelmd waren, dan met eventueel pedagoogelen. Maar het goede nieuws was: ik kon weer ademhalen. En een stukje lezen in mijn net op het station aangeschafte boek: 'Rood'. Het nieuwste werk van mijn favoriete bioloog, Midas Dekkers, een lofzang op meisjes met rode haren. Nou, áls mijn zelfvertrouwen (en dat van alle andere rossige dames) nog ergens een boost nodig had, dan draagt dit boek er zeker aan bij. Enfin, een twintigtal bladzijden later arriveerden we in Den Haag, waar ik overstapte naar de Smart van vriendin Nienke.
We zetten vrolijk koers naar Scheveningen en verheugden ons al op een lunch aan het strand, toen we er ineens achterkwamen dat we niet de enigen waren, die dat hadden bedacht... er stond voor de parkeergarage bij de boulevard een lange file! En wij stonden daarin. Keren op de weg was geen optie, want naast de rijbaan was een hoge betonnen richel, die de gehele bodemplaat van de Smart waarschijnlijk vakkundig had vermorzeld. En wij wilden natuurlijk niet met een trapauto à la Flintstones verder. Dus zat er niks anders op dan ons te schikken in dit lot. Resultaat: in een kwartier nog geen 100 meter opgeschoven, c.q. opgeschoten. Maar ineens dook er een escape op: een zijstraat! Eventuele verkeersborden (iets ronds en roods met een witte balk erin?) lieten we letterlijk links liggen en als een volleerd coureur manoeuvreerde Nienke (de) smart over achtereenvolgens over fietspad, stoep (rakelings langs parkeermeters en een heg!) en enkele (gelukkig lege!) parkeerhavens. Daarna scheurden we tegen het verkeer in de straat door (geen tegenliggers of dwarsliggers of zwaailichten gezien) en wonder boven wonder kwamen we uit vlakbij een andere parkeergarage, waar we zo in konden. Soms zit het tegen, en nu zat het mee. En zo zaten we dan even later toch aan het strand, in het Carlton Beachpaviljoen, waar het voelde alsof het medio juli was. Het rosébier smaakte dan ook prima, evenals het eten. En het personeel was aardig en attent. Na de lunch besloten we nog even naar een naastgelegen strandtent te gaan, om daar koffie te drinken. Het zag er erg leuk uit, deze strandtent waarvan ik geen naam op de gevel kon ontdekken. Wel vijf grote 'Coca Cola Zero'-parasollen lachten ons vriendelijk tegemoet. Maar dit werd een typisch voorbeeld van 'buitenkant zegt niet alles'. Sterker nog: híer zou men als gemeente Den Haag nou zo'n rood verkeersbord voor moeten plaatsen. Of nog beter: rood-wit afzetlint! On-ge-loof-lijk, wat een tent! Op een gezinnetje na waren we de enige gasten op het terras, maar de bestelde koffie was er na een kwartier nog niet. Moest het apparaat nog worden gekocht of zo? Dus ging ik binnen maar eens even poolshoogte nemen. "Ja, de koffie en de cappuccino zijn onderweg", zo beloofde men enigszins geïrriteerd. O ja en "of ik nog iets bij de koffie wilde". Ik antwoordde: "ja, een zoetje graag en een beetje melk". En ja hoor, even later kwam een jongeman (type 'wannabe surfer') met dienblad langs, serveerde een cappuccino, een koffie en .... een glas melk! Ik barstte in lachen uit. Maar hij keek verbaasd. "Had ik dan niet gezegd dat ik melk bij de koffie wilde?" Well, wat moet je daar dan nog van zeggen! Hilarisch! Een tijdje later kwam de ober eindelijk weer es langs en vroeg of we nog iets wilden drinken. Eh, ja. (Hoe raad je het zo!) Ik besloot op safe te gaan dit keer (dacht ik) en bestelde een Coca Cola Zero. En daar kwam deel twee van de slapstick: "We hebben geen Zero". Huh? "Wat staat er op die parasol dan?", vroeg ik met enig gevoel voor drama. Nu gierde ook het gezinnetje naast ons het uit van de lach. Maar omdat het zulk dorstig weer was, we het gezellig hadden en we geen zin hadden om weer te verkassen, namen we een alternatief drankje, dat ook weer met grote vertraging werd geserveerd. Een rode kaart voor deze tent, totaal ontspoord!
Het was mooi geweest. En rond vijf uur zat ik weer in de trein terug naar Amersfoort, met de sporen van de zon in mijn gezicht en de sporen van een liedje in m'n hoofd: 'Vandaag is rood'...